Tussentaal

Tussentaal is een vorm van spreektaal in Nederlandstalig België. Ze heeft veel kenmerken gemeenschappelijk met dialecten, maar ze deelt ook kenmerken met de (Belgisch-Nederlandse) standaardtaal. Tussentaal is dus een mengtaal. Bovendien spreken niet alle mensen Tussentaal op dezelfde manier: er bestaan regionale verschillen én individuele verschillen tussen sprekers.

Luister hier naar een gesprekje in Tussentaal: AUDIOFRAGMENT transcriptie

In België gebruiken veel mensen in veel verschillende communicatiesituaties Tussentaal als informele omgangstaal. Tussentaal wordt niet alleen in de dagelijkse mondelinge communicatie gebruikt maar ook in soapseries op televisie. De televisie heeft waarschijnlijk tot de verspreiding van tussentaal bijgedragen.

Tussentaal heeft een slechte reputatie: ze krijgt veel kritiek en er wordt heftig over gediscussieerd in de media. Tegelijk is Tussentaal voor veel Vlamingen een natuurlijke spreektaal, veel natuurlijker dan de Belgisch-Nederlandse standaardtaal.

Wat is Tussentaal?

De naam ‘Tussentaal’ verwijst naar een groep gesproken variëteiten in België. Ze liggen tussen de standaardtaal en de dialecten in. Dat kun je zien op het schema hierboven (De Caluwé, Geeraerts & Kroon 2002 [1]). Tussentaal is niet hetzelfde als dialect, maar ze bevat wel veel dialectkenmerken. Daardoor zijn er verschillende regionale varianten. Interessant is dat Tussentaal in heel Vlaanderen Brabantse kenmerken bevat (van het gebied Antwerpen-Mechelen-Leuven). Sommige taalkundigen relativeren de verspreiding van een 'algemene' Tussentaal. Zij hebben het liever over verschillende tussentalen.

Verspreiding van Tussentaal

Sommigen beweren dat de commerciële zender VTM, die in 1989 opgericht werd, Tussentaal uitgevonden heeft. VTM is het daar niet mee eens. Het klopt wel dat de nieuwe zender er bewust voor koos om eigen Vlaamse soapseries uit te zenden waarin het taalgebruik dichter bij het dialect lag en dus ‘natuurlijker’ klonk dan gesproken standaardtaal. Daarom wordt Tussentaal soms 'soap-Vlaams' genoemd. Taalkundige Johan De Caluwé argumenteerde in de jaren negentig dat Tussentaal een natuurlijke variëteit van het Nederlands is. Ze is vanzelf ontstaan doordat Vlamingen geen standaardtaal konden of wilden spreken en geen dialect wilden gebruiken (bijvoorbeeld bij een informeel gesprek met iemand uit een andere regio, bij het opvoeden van de kinderen,...). Volgens De Caluwé beantwoordt Tussentaal aan een behoefte aan een informele spreektaal. Veel Vlamingen vinden de standaardtaal te formeel en te afstandelijk. Die is namelijk in België niet op natuurlijke wijze ontstaan, maar ze is aangeleerd als een vreemde taal. Er ontbreekt een gevoel van eigenheid omdat de standaardtaal sterker ‘Nederlands’ gekleurd is dan ‘Belgisch’. Met Tussentaal kunnen Vlamingen hun eigenheid en zelfbewustzijn uitdrukken, zegt De Caluwé.

  • Tussentaal is overal. Dat blijkt uit De Grote Taalpeiling, en onderzoek van Radio 1, De Standaard en de Taalunie (2013).

Functies van Tussentaal

Tussentaal is handig als personen die van huis uit een verschillend dialect spreken met elkaar willen communiceren. Ze spreken Tussentaal als ze geen standaardtaal willen of kunnen gebruiken. Het gebruik van Tussentaal kan verder een bepaald effect hebben. Dit blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Jonge leerkrachten kiezen er bijvoorbeeld voor om Tussentaal te gebruiken om dichter bij de leerlingen te staan. Tussentaal heeft een ander effect dan de wat afstandelijke, formelere Belgische standaardtaal. Tussentaal komt ook voor in nagesynchroniseerde (jeugd)films. Maar in bepaalde, formelere situaties wordt Tussentaal als niet geschikt aangevoeld, bijvoorbeeld als een journalist een politicus interviewt: Klik hier voor een filmpje waarin politici in tussentaal geïnterviewd worden. In een dergelijke situatie vinden taalgebruikers standaardtaal wenselijk.

  • Meer lezen? Lees de module Situaties voor informatie over het gebruik van Tussentaal.

Meningen over Tussentaal

Tussentaal wordt door velen denigrerend beschouwd als een ‘taaltje’ dat mensen gebruiken die niet in staat zijn, of niet bereid zijn om standaardnederlands te spreken. Tussentaal krijgt al jarenlang veel kritiek. In de jaren negentig drukten verschillende auteurs en taalkundigen hun bezorgdheid of zelfs afkeur over Tussentaal uit (Van Istendael, Taeldeman, De Schutter, Geeraerts, Goossens zijn voorbeelden). Vandaag wordt er in Vlaanderen nog steeds heftig over Tussentaal gediscussieerd, niet alleen door publieke figuren maar ook door leerkrachten en taalkundigen.

  • Schrijver Geert Van Istendael heeft de naam 'Verkavelingsvlaams' bedacht. Voor hem is Tussentaal een gebrek dat uitgeroeid moet worden.
  • Professor-emeritus Johan Taeldeman spreekt zijn bezorgdheid over de verspreiding van Tussentaal uit in dit filmpje.
  • Publieke figuur Marc Reynebeau (2006) [2] sluit zich in dit artikel enigszins bij de analyse van taalkundige Johan De Caluwé aan (zie boven) dat Tussentaal een natuurlijke taalvorm is voor veel Vlamingen.
  • Taaladviseurs zoals Ruud Hendrickx van de VRT hebben een genuanceerde visie. Zij erkennen Tussentaal als variëteit voor specifieke situaties of effecten. Toch willen ze een verdere verspreiding van Tussentaal tegengaan.
  • Verschillende taalkundigen, zoals de auteurs van het ophefmakende boek De manke usurpator (2012)[3], willen duidelijkmaken dat Tussentaal niet ‘slecht’ of ‘bedreigend’ hoeft te zijn, maar als ‘variëteit’ erkenning verdient. De registergevoeligheid neemt toe, vooral bij jongere generaties. Zij kiezen bewust voor standaardtaal in formelere situaties en voor tussentaal of dialect in andere situaties. Het boek gaf aanleiding tot een discussie in de media waarover je bij Onze Taal meer kunt lezen.

Referenties

  1. De Caluwe, Johan. 2002. Tien Stellingen Over Functie En Status Van Tussentaal In Vlaanderen. In Taalvariatie En Taalbeleid In Nederland En Vlaanderen, 57-68. Taalvariatie En Taalbeleid In Nederland En Vlaanderen. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
  2. Reynebeau, Marc. 2006. De Vlamingen Begrijpen Elkaar Nog Altijd Niet. De Standaard 10.06.2006. De Standaard 10.06.2006.